Begrafenis (geschiedenis)

 

Geschiedenis van het begraven in Nederland.

Hieronder treft u de geschiedenis van het begraven in Nederland. Voor praktische informatie rondom een begrafenis verwijzen wij u naar de overige hoofdstukken. 

Er wordt in het algemeen aangenomen dat ongeveer 2500 jaar voor onze jaartelling het tijdperk begon van de collectieve dodenverzorging volgens vaste gedragslijnen. Hoewel er veel graven zijn gevonden van vóór die tijd, worden de hunebedbouwers beschouwd als de eerste echte ‘begrafenisondernemers’. Na een periode waarin een aantal grote stenen naast en op elkaar werden geplaatst, om zo een grafkelder of ‘hunebed’ te bouwen, werd in de Bronstijd overgestapt op het begraven in grafheuvels. In deze heuvels bevonden zich vaak kleine ‘dodenhuisjes’ waarin behalve de overledene ook andere zaken, zoals de resten van voedsel en voorwerpen werden begraven. Dit duidt op de uitvoering van rituele plechtigheden.

De periode die daarop volgde, de zogenaamde Germaanse tijd, werd vooral gekenmerkt door chaos. Er kwamen zeer veel verschillende vormen van lijkbezorging voor, wat te maken had met familietraditie, stamtraditie en geloof. Bij elke traditie werden weer andere goden vereerd, waardoor ook begrafenissen heel verschillend verliepen. Zo was er bijvoorbeeld een bepaalde traditie waarbij de vrouw van de overledene ‘vrijwillig’ het graf betrad. Bij vrijgezellen werd dit – uit angst voor eenzaamheid van de overledene – ‘opgelost’ door voor de begrafenis een schijnhuwelijk (of dodenhuwelijk) in scène te zetten. 

Ten tijde van de bloei van het christendom, werden alle Romeinse tradities overboord gegooid. In plaats van begraafplaatsen buiten de bebouwde kom (er werden in de Romeinse tijd immers natuurgoden vereerd), werden er nu kerkhoven midden in de woongebieden aangelegd. Er werd voornamelijk in en om de kerk, de heilige plek, begraven. De begrafenis was aan veel regels gebonden en er waren verschillende ceremonies en grafsoorten voor verschillende standen en rangen van de maatschappij. Ook werd er veel gebruik gemaakt van symbolen, zoals de ‘gevleugelde zandloper’ die de vervlieging van de tijd symboliseerde en de duif die gebruikt werd (en nog steeds wordt) als vredessymbool. 

Crematies (die overigens in de Romeinse tijd wel plaatsvonden), vonden slechts plaats bij misdadigers en zelfmoordenaars. Hun lijken moesten verdwijnen, zodat overblijfselen geen kwaad meer zouden stichten. 

De ‘christelijke’ periode van begrafenissen is eigenlijk nog steeds gaande, al zijn tegenwoordig uitvaarten steeds minder aan regels gebonden en wordt steeds meer uitgegaan van persoonlijke wensen van overledenen en nabestaanden. De ‘kille’ begrafenis is verleden tijd en in de periode die komen gaat zal dit proces van personalisering alleen maar versterken.